Palestijnen in hongerstaking na de dood van Yitzak Rabin

RAMALLAH - Acht jaar na het begin van de Intifada, de Palestijnse opstand in de bezette gebieden, wappert de Palestijnse vlag boven de Westelijke Jordaanoever. Op de universiteit van Bir-Zeit, het centrum waar de Palestijnse elite wordt gevormd, werden enkele flinterdunne matrasjes van een tiental hongerstakers gedrapeerd met Palestijnse vlaggen. Daags na de moord op de IsraŽlische premier Yitzak Rabin ging op de universiteit een protestaktie van start. Ze weerspiegelt de radikalizering van de Palestijnse studenten rond het vredesproces: "Geen vrede met IsraŽl zonder vrijlating van onze gevangenen."

In Bir-Zeit weten ze waarover ze het hebben. In de afgelopen tien jaar kwamen elf studenten om het leven bij akties tegen de IsraŽlische bezetting. De namen van gevangen studenten worden met eerbied uitgesproken, alsof ook zij al martelaren zijn: Abir Alwinidi, een meisje dat reeds drie jaar vast zit; Nezar Al Tamini en Asrar Semrin die twee en drie jaar achter de tralies verblijven; of Aimen Abu Chalil die tot 75 jaar gevangenisstraf werd veroordeeld omdat hij lid was van de Al Qassem-groep.

De universiteit van Bir-Zeit, nabij Ramallah, is zowel het intellektueel centrum van de Palestijnse natie als een broedplaats voor nieuwe ideeŽn en een speerpunt van militante akties. Er zijn 3.500 studenten ingeschreven aan vier fakulteiten. Zestig procent van de exploitatiekosten wordt betaald door de Europese Unie.

Hanan Ashrawi, die hier doceerde vooraleer zij PLO-woordvoerster werd op de vredesbesprekingen, noemt Bir-Zeit een symbool van het Palestijnse volk en de uiting van de identiteit en de kontinuÔteit van Palestina.

Opgericht als universiteit in 1972 vanuit een kristelijke school die al sedert 1924 werkzaam was, werd de instelling talloze keren gesloten bij militair dekreet van het IsraŽlisch leger - de laatste keer voor volle vier jaar, na ťťn jaar Intifada in 1988.

Over de relaties met IsraŽl na de moord op Yitzhak Rabin heeft elke student hier een mening. Ahmed Abdallah (24), een vierdejaars ingenieur uit Jenin, denkt dat er niet veel zal veranderen: "Ook de nieuwe leiders van IsraŽl zullen onderhandelen vanuit hetzelfde standpunt: zionisme."


Terrorist

Een radikale opinie verwoordt Bassim Adwan (27) uit Kalkilya, een student sociologie: "Wat me gelukkig maakt, is dat het terrorisme nu opduikt binnen IsraŽl. Yitzhak Rabin was een pionier van het terrorisme. Hij zei ooit ervan te dromen dat Gaza zou verdrinken in de zee. De laatste drie jaar werkte hij voor de vrede. Vijftien jaar was hij een kind. Vijfenvijftig jaar van zijn leven was hij een terrorist, een van de moordenaars van ons volk."

In de studentenverkiezingen van 24 mei 1995 behaalde de pro-Fatah-lijst 40 procent der stemmen, een met de radikale Hamas-beweging verwante islamitische lijst 34 procent. Bij ontstentenis van vrije verkiezingen op de Westelijke Jordaanoever worden de studentenverkiezingen op "Bir-Zeit soms een maatstaf genoemd. Volgens afspraken op de vredes besprekingen zouden in januari 1996 algemeen-Palestijnse verkiezingen worden gehouden, als tenminste de terugtrekking van het IsraŽlisch leger ver genoeg is gevorderd.

Onder een tekening van een duif achter tralies en een gebalde vuist in de ketens, liggen de hongerstakers bijeen in een zaaltje van Bir-Zeit. "De IsraŽli's zijn kriminelen", fulmineert Baha Samara (18), een Palestijnse student uit de Golf-staten die hier ingenieurstudies doet. Als bewijs haalt hij aan dat IsraŽl de gevangen studenten ("Palestijnen maar ook Arabieren") zelfs na een vredesakkoord achter de tralies wil houden.

"Geen vrede en geen verkiezingen zonder vrijheid voor onze gevangenen", staat er op een spandoek boven het gebouw van de hongerstakers. De aktie gaat uit van Shabehu, de studentenorganizatie van Al Fatah, de belangrijkste deelgroep binnen de PLO-koepel. Voorzitter van Shabehu in Bir-Zeit is de ekonomie-student Faroek Eldik uit Nabloes. Verontschuldigend zegt hij over zijn Jeeftijd van 28 jaar: "Acht jaar zat ik in de Al Jinet-gevangenis van Nabloes. Om politieke redenen."

Volgens Faroek Eldik zal de moord op Yitzhak Rabin geen grote invloed hebben, omdat verdragen worden ondertekend met een staat en niet met een persoon. De kern van het probleem noemt hij de kwestie van de IsraŽlische nederzettingen. Er is geen vrede met IsraŽl mogelijk als die nederzettingen blijven bestaan.


Fanatici

"Iedere dag worden we gekonfroteerd met wat die nederzettingen betekenen: onze eigen machteloosheid en daartegenover de absolute macht van de kolonisten, gesteund door het IsraŽlisch leger. Wij kunnen geen onderscheid maken tussen de joodse kolonisten en de extremistische fanatici. Iedere dag opnieuw ervaren wij dat de kolonisten de kern vormen van de extremnisten. Het is van geen belang dat de IsraŽlische fanatici gering in aantal zijn. Van belang is niet met hoevelen ze zijn, maar wat het effekt is van hun aktie. En waartoe zij in staat zijn hebben ze nu wel bewezen."

"Wij steunen het vredesproces, maar niet tot elke prijs. Sommigen vrezen voor nieuwe aanslagen. Die vrees is ongegrond als men de oorzaak van die aanslagen wegneemt, en dat is de bezetting van ons land door IsraŽl."

Bir-Zeit-woordvoerder Albert Aghazarian zegt dat de Palestijnen geleerd hebben het vredesproces niet meer af te meten aan het grote geheeL niet meer aan de plannen en de verklaringen, niet meer aan onderhandelingen, verkiezingen of het al dan niet terugtrekken van IsraŽlische soldaten. "Het sukses van het vredesproces", zegt hij "beoordelen wij aan wat we iedere dag meemaken in ons gewone leven."

En van sukses is dan niet veel sprake. "Na negen semesters kunnen onze 350 studenten uit Gaza nog altijd niet op een wettelijke manier in Bir-Zeit komen. Door hen in de illegaliteit te duwen, behoudt het IsraŽlisch leger een schier absolute kontrole over de studenten."

Honderdvijftig dagen per jaar blijft Gaza afgesloten van IsraŽl. "In de kranten is zo'n afsluiting nog ťťn woord waard. Daarachter gaat echter een realiteit schuil waarvan telkens weer Palestijnse studenten, leraars, artsen of handelaars het slachtoffer zijn. En dan moeten wij nog zeggen dat het vredesproces vooruitgaat. Omdat we ondanks alles hopen dat er licht is aan het eind van de tunnel."


Mon Vanderostyne
Ramallah
10 november 1995