"Alleen leven van Arabier is echt goedkoop in IsraŽl"

JERUZALEM - DrieŽndertig jaar na de stichting van IsraŽl blijft de verzoening uit tussen de volkeren van het Beloofde Land. Zelfs na vijftien jaar bezettingsregime wordt er nog weerstand geboden op de westelijke Jordaanoever. De ontruiming van de SinaÔ roept ongemeen hevige emoties op. In Jeruzalem verloopt de Goede Week in een sfeer van beleg. En de profanatie van de El Aqsa-moskee zorgt voor een explosie van geweld die zelfs de kogels van het leger maar nauwelijks kunnen intomen.

Wat is er aan de hand in dit land dat niet alleen met z'n buren maar ook binnen z'n grenzen de vrede niet kan vinden? De eerste kibboutzim werden al honderd jaar geleden gesticht en de mensen die er nu wonen behoren tot de vierde generatie van zionisten. De vaders van het vaderland, de pioniers van 1948, zijn bijna allen verdwenen uit het openbaar leven.

DrieŽndertig jaar na de stichting van de joodse staat zou men denken dat de pionierstijd achter de rug ligt. Maar toch lopen joodse burgers nog gewapend met geweren op straat. Iedere week wordt er binnen de grenzen van het bijbelse IsraŽl nog geschoten op mensen. Grote delen van het land leven onder militair bestuur. De soldaten zijn op veel plaatsen niet weg te denken uit het straatbeeld. Op de Golanhoogten is er al drie maanden een konfrontatie tussen het leger en enkele dorpen.

En in het bezette CisjordaniŽ, thans Judea-Samaria genoemd door de regering van Tel Aviv, zijn er bijna dagelijks en nu al maandenlang ernstige incidenten. Door het volk verkozen burgemeesters zijn afgezet wegens vermeende sympatie met Palestijnse organizaties, universiteiten blijven gesloten, winkels zijn soms de helft van de maand dicht wegens proteststakingen. De straten zijn er onveilig, en niet zonder reden noemde Elias Freij, de gematigde burgemeester van Bethlehem, verleden week nog het bezette CisjordaniŽ de "Wild West Bank".

Vanop de Olijfberg kijkt men neer op het oude Jeruzalem. Niemand blijft onberoerd bij het zien van de muren van de heilige stad, het middelpunt van de wereld zoals men nog in de middeleeuwen dacht.


Pescha

Bovenop de Olijfberg stond ik tussen de graven van joodse soldaten, gevallen in de onafhankelijkheidsoorlog van 1948. Aan de voet van het kerkhof lag de Kedronvallei en de Gouden Poort, langs waar de Messias zal binnentreden in Jeruzalem. Het was het feest van de Pescha, het Paasfeest waarop de joden de terugkeer herdenken uit Egypte. Met de talid, hun gebedsdoek over de schouders en hun haar gedraaid in vrome krulletjes, kwamen ingetogen joden de plaatsen bezoeken waar hun vrijheidsstrijders zijn begraven. Beneden schitterden de Gouden Koepel van de Rots en de El Aqsa-moskee, de heilige plaats van de moslims, de blijvende pijn van de joden voor wie het onverdraaglijk blijft de moskee te zien op de plaats van de Tempel, op de plaats van het Verbond met God.

Het was broeiend heet, en de joodse families op het kerkhof hadden de lommer opgezocht van enkele verweerde bomen. In de verte klonk de klagende stem van een muezzin die de moslims opriep voor het middaggebed. Dichterbij klepte een klokje, op de plaats waar Jezus weende over Jeruzalem. Zoals de joodse soldaten die hier begraven liggen keek ik neer op het eeuwige Jeruzalem, op de heilige plaatsen van joden, kristenen en moslims, de bakermat van de drie grote monoteŌstische godsdiensten. De symbolen van dit land zijn tevens de tekenen van haar verscheurdheid. Joden, moslims en ook kristenen staan vandaag met getrokken messen tegenover elkaar in deze stad en dit land. Maar in hun traditie hebben ze dezelfde Semitische wortels, Abraham is hun gemeenschappelijke aartsvader, het Arabische woord voor Shalom is Salam.

De vrede is ver weg, voor de bijna vier miljoen inwoners van de joodse staat. Het hedendaagse IsraŽl vormt een complexe realiteit die moeilijk onder ťťn noemer is te vatten. In het Hapisga-park van het oude Jaffa is het voor een buitenstaander moeilijk joden en Arabieren van elkaar te onderscheiden en wie rondslentert op de David Ben Goerionlaan van het nabijgelegen Tel Aviv kan zich net zo goed wanen in eender welke kosmopolitische metropool. In Galilea waar op sommige plaatsen nog de helft van de bevolking Arabisch is, lijken de scherpste kanten van een konfrontatie die tientallen jaren duurde, thans afgerond. Enkel de nu verlaten, door joden opgeblazen Palestijnse dorpen, herinneren nog aan de wonden van het verleden. In Jeruzalem daarentegen blijft de konfrontatie tussen joden en Arabieren levensgevaarlijk aanwezig. En van Nabloes tot Bethlehem heerst in de bezette gebieden nog een oorlogssituatie die vijftien jaar na de IsraŽlische inval blijft voortduren.


Complex

Het IsraŽl van 1982 is een moeilijk land, met een complexe realiteit. 700.000 Arabieren zijn IsraŽlisch staatsburger en 12,5 t.h. van de bevolking is moslim. In CisjordaniŽ en in de Gazastrook leven er nog eens meer dan een miljoen Arabieren onder een bezettingsregime. Binnen de IsraŽlische grenzen van 1948 wonen er ook nog zo'n 100.000 kristenen, dikwijls te vinden bij de meest militante Palestijnen. Maar de scheiding tussen deze groepen verloopt niet rechtlijnig. Ik ontmoette Hebreeuws sprekende kristenen ("Joodse kristenen"), maar ook Palestijnse joden ("Ik ben geen importprodukt", zei minachtend een joodse taxichauffeur wiens familie al een paar honderd jaar in Palestina verbleef.)

Binnen die complexe realiteit zijn het thans vooral de Palestijnen die in de belangstelling staan door de discriminaties waarvan zij zeggen het slachtoffer te zijn, door de aanhoudende repressie, door de verbetenheid van hun verzet.

Alles in dit land wordt onbetaalbaar duur", zei me in Jeruzalem de Arabische chauffeur Abou Moussa, maar hij voegde eraan toe: "Echt goedkoop is hier slechts het leven van een Arabier". Abou Moussa was de man die me bracht naar het museum van Yad Vashem, het aangrijpende uitstalraam van de holocaust. Ik dacht terug aan z'n woorden toen ik rondliep tussen de foto's van de kampen en de getuigenissen van de uitroeiing.


Stenen

Elke vergelijking loopt mank, maar wie in Yad Vashem huiverend de woorden leest van Heinrich Heine naast de foto's van de boekenverbrandingen in nazi-Duitsland, moet weten dat ook in Eretz IsraŽl boekenwinkels worden gesloten en dat in de katolieke universiteitsbiblioteek van Bethlehem tijdschriften zoniet worden verbrand, dan toch worden geweerd. En wie in het Beth Hatefutsoth-museum van Te1 Aviv meeleeft in de tragische momenten van de joodse diaspora, moet eerlijkheidshalve ook de tragiek willen aanvoelen van de hedendaagse "vrijwillige verdrijving", van de uitwijking der kristenen uit het Heilig Land, van de emigratie der grijze hersenstof bij de Palestijnen. En bestaat er een andere maat voor Arabieren die in Beit Sahour stenen gooien naar voorbijrijdende legerauto's, dan voor ortodoxe joden die in Neat Shearim stenen gooien naar ongegeneerd-nieuwsgierige toeristen?

De foto's van Yad Vashem en de maquettes van Beth Hatefutsoth horen vandaag thuis in het museum. De herinnering aan uitroeiing en uitwijking blijft levendig, maar de holocaust en de diaspora zijn geschiedenis geworden. IsraŽl is vandaag een realiteit. Maar de verzoening blijft uit, zelfs 33 jaar na de stichting van de joodse staat.

Zullen de Palestijnen na 33 jaar (eindelijk) het feit-IsraŽl willen erkennen, nu hun strijdvaardigheid toeneemt met de groeiende greep van hun organizaties op de bezette gebieden? En zal de joodse staat een plaats willen gunnen aan de Palestijnen die, hetzij onder het burgerlijk bestuur in IsraŽl hetzij onder het militair bestuur van CisjordaniŽ of Gaza, al half zo talrijk zijn als de joden? (ondanks de emigratie neemt het aantal Palestijnen toe). De aanhoudende konfrontatie van de jongste paar maanden doet twijfels rijzen aan die wederzijdse bereidheid. Geregeld worden nog infiltraties gemeld van, door de joden "terroristen" genoemde, Palestijnse vrijheidsstrijders over de Jordaan of in Gaza. En ook de repressie door Tel Aviv neemt eerder toe dan af. Een katolieke kloosterzuster in Rammalah drukte het aldus uit: "Vroeger schoten de joden in de lucht, het grote verschil is dat ze thans schieten om te doden".

Bij aankomst op het vliegveld van Lod werd ik als elke bezoeker in IsraŽl vergast op de zoete likeur van de Sabra. Maar bij het afscheid van het land lieten de Palestijnen me proeven van hun bittere, nog groene, zuur smakende amandelen.


Mon Vanderostyne
Jeruzalem
21 april 1982