Nog een derde leeft in "voorlopige onderkomens"

Palestijnen hebben hun ballingschap "geleerd"


AMMAN - DrieŽndertig jaar na de stichting van de staat IsraŽl leven nog altijd een derde van de 1,8 miljoen Palestijnse vluchtelingen van het Nabije Oosten in kampen. Na elke oorlog komen er kampen bij. Mede door de natuurlijke aangroei zijn er thans twee keer zoveel vluchtelingen als in 1948. Omdat ze de hoop op een terugkeer naar hun vaderland nog niet hebben verloren, verkiezen velen te blijven wonen in de "voorlopige" onderkomens. Twee generaties vluchtelingen zijn nu al geboren in de kampen van het Nabije Oosten.

De Palestijnen blijven een volk zonder land. Eťn inwoner op drie van JordaniŽ is een Palestijn. In 1948 telde dit land minder dan een miljoen mensen, thans zijn het er meer dan drie miljoen. Volgens Uno-tellingen verblijven er 700.000 Palestijnse vluchtelingen in JordaniŽ, volgens de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie (PLO) zijn het er het dubbele. Vast staat dat de grootste gemeenschap van Palestijnen (Gazastrook en West Bank inbegrepen) leeft in het Hasjemitische Koninkrijk.

"De meeste Palestijnen in JordaniŽ leven thans in de steden", vertelde Isam Abedelahdi, de enige vrouw die lid is van het uitvoerend komitee van de PLO. "Er zijn in JordaniŽ drie soorten Palestijnen: zij die er al vůůr de oorlogen van '48 en '73 woonden, zij die gevlucht zijn maar zich in de steden vestigden, en ten slotte de groep die blijft leven in kampen".

De meeste kampen (thans 61 onder Uno-vlag in het hele Nabije Oosten) zijn gevestigd in en rond de hoofdstad Amman. Het is een stofferige, grauwe, grijze woestijnstad (ooit beschreven als het Rome van de woestijn) waarvan de bevolking in de jongste jaren enorm is toegenomen. De kampen zelf liggen op de heuvels aan de rand van de stad of in valleitjes diep in de woestijn. Het oude karavaancentrum Amman heeft enkele funkties overgenomen van het door burgeroorlog verdeelde Beiroet. Er heerst zichtbaar enige koopkracht en welstand, en de Palestijnen zowel in als buiten de kampen dragen daar aanzienlijk toe bij. Ze houden winkeltjes open, werken als taxichauffeur, als bouwvakker, in de hotels, op de luchthaven, enz. Volgens sommige bronnen is 80 t.h. van de bevolking van Amman Palestijn.


Diploma's

De meeste kampen in JordaniŽ worden beheerd door een gespecializeerd Uno-organisme, de UNRWA, opgericht in mei 1950 voor de Palestijnse vluchtelingen zowel binnen als buiten de kampen. De UNWRA verleent alleen diensten en laat het eigenlijke beleid en ook de ordehandhaving over aan de Jordaanse regering. Sinds de gebeurtenissen van Zwarte September in 1970 duldt JordaniŽ niet langer kampen die door de Palestijnse verenigingen worden beheerd. Officieel komen de zg. PLO-kampen in JordaniŽ bijgevolg niet meer voor.

De Palestijnse gemeenschap heeft in de jongste 33 jaar leren leven in ballingschap. Wapendracht, militaire opleiding en krijgsvertoon zijn in JordaniŽ niet meer toegelaten, maar nog altijd heeft de PLO bureaus in Amman, zowel voor het eigen organizatiewerk als voor dienstverlening. In een soort Palestijns ministerie van Sociale Voorzorg in Amman ziet men de weduwen van de martelaren aanschuiven voor bijstand. Afhankelijk van hun inkomen, de gezinslast en het aanzien dat hun man genoot, krijgen ze een maandelijkse toelage van 500 tot 600 fr. Sterk ontwikkeld bij de Palestijnen is ook het eigen schoolsysteem. In de Arabische wereld vormen de Palestijnen maar twee t.h. van de bevolking, maar ze bezitten elf t.h. van de universitaire diploma's. Verder zijn er eigen wijkkomitees, hospitalen, jeugdbewegingen, atletiekklubs, enz. Die organisatie van de Palestijnse gemeenschap treft men ook aan in de kampen.

Het vluchtelingenkamp Baq'a ligt 25 km ten noorden van Amman en werd opgericht na de oorlog van 1967. Het is een UNRWA-kamp en werd gebouwd met financiŽle steun van Duitsland. Baq'a is het grootste Palestijnse kamp van het Nabije Oosten. Volgens Ismai1 Wahidi, de (Palestijnse) Uno-vertegenwoordiger in het kamp, leven er 60.070 Palestijnen maar volgens de PLO ligt het echte cijfer dichter bij de 100.000. Er staan 7.390 huisjes (units) wat betekent dat er gemiddeld meer dan acht personen leven in een woning.

Het kamp strekt zich uit over verscheidene kilometers en ligt in een dalletje, midden de steenwoestijn, tussen kaktussen en schotelantennes van een Jordaans kommunikatieprojekt. Aanvankelijk leefden de vluchtelingen van Baq'a in tenten, thans zijn er vaste woningen gebouwd met assestenen, betonnen panelen, zinken platen, soms leem, en allerhande afvalprodukten. De oorspronkelijke woningen bestaan enkel uit een gelijkvloerse verdieping, zijn meestal kleiner dan tien m≤, en hebben in de regel twee kamertjes en een soort voortuintje. Maar in de meeste gevallen werden de oorspronkelijke woningen verruimd en verbeterd, met toevallige materialen die bij de hand waren. De huisjes en de inrichting van het kamp zijn buitengewoon armoedig en schamel, maar te oordelen naar de antennes op het dak staan er toch heel wat tv-toestellen en er rijden ook dure (tweede- of derdehandse) Duitse auto's, dikwijls van taxichauffeurs die in het kamp wonen.


Kinderen

Zoals de andere kampen is Baq'a geometrisch opgedeeld in rechthoekige woonblokken met lange, rechte, samelle, onverharde straten. Aan de rand van het kamp en op een paar pleintjes zijn de winkeltjes gevestigd en zitten de ambachtslui: schoenmakers, kleermakers, plaatslagers, huidenbewerkers, enz. Aan de rand van het kamp lijkt Baq'a nog op een broeierige, drukke, handeldrijvende, gezellige, oosterse souk, maar binnenin de huizenblokken heerst er doffe ellende, bittere armoede en een voortdurende strijd om te overleven.

"De bevolking van het kamp neemt nog voortdurend toe", vertelde Ismai1 Wahidi. "Niemand verlaat het kamp en iedere maand zijn er 200 geboorten". Op een kampbevolking van 60.070 personen zijn er 15.507 kinderen onder de vijftien jaar. "Vroeger predikten wij Palestijnen de geboortenbeperking", zei Isam Abedelahdi, voorzitster van de Palestijnse Vrouwenbeweging, maar sedert enige tijd dringt de PLO opnieuw aan op veel kinderen. Om de gesneuvelde martelaren te vervangen." Veel Palestijnen zien kinderrijkdom trouwens nog altijd als een verzekering voor de ouderdom.

De organizatie van hun samenleving die de Palestijnen in ballingschap noodgedwongen hebben opgezet, treft men ook aan in een kamp als Baq'a. Er zijn jeugdbewegingen, sportklubs, een vrouwenorganizatie. Het kamp beschikt over een eigen brandweer, heeft 22 scholen (338 leraars) waarvan tien voor meisjes, vijf kinderbewaarplaatsen,en en er is ook een kliniek waar vijf artsen, een tandarts en 15 verpleegsters werken.

Elektriciteit wordt geleverd door een privť-firma maar lang niet alle huisjes zijn daarop aangesloten. Er is waterleiding in het kamp, maar de distributie gebeurt kollektief, aan gemeenschappelijke waterkranen. Nagenoeg alle huisjes beschikken :hans over een eigen toilet.

In het kader van een gezondheidsprogramma worden maandelijks nog altijd aan 35.233 vluchtelingen voedselrantsoenen (5 kg meel) uitgedeeld, dikwijls afkomstig van de EEG. Kinderen tot zes jaar {rijgen iedere dag ťťn warme maaltijd en op medisch advies kunnen ook kinderen tot 15 jaar en bejaarden daarvan genieten. Dagelijks verdeelt de kampleiding aldus 1.750 warme maaltijden.

De Palestijnen hebben geleerd om te leven in ballingschap. Hun gemeenschap, zowel binnen als buiten de kampen, hebben ze op een merkwaardige wijze georganizeerd. Maar ze blijven vreemden in het land waar zij verblijven en velen, zeker in de kampen, leven onder de grens van wat noet doorgaan als een bestaansminimum. Een kamp als Baq'a, 25 km buiten Amman, is een stad geworden op zichzelf. EpidemieŽn zijn er nog niet voorgekomen en men sterft er niet van de honger. Maar meer is er niet. De Palestijnse vluchtelingen overleven. En ze blijven hopen op een terugkeer naar hun vaderland.


Mon Vanderostyne
Amman
24 juni 1981