De cocaberg

Voor Bolivië is coca even belangrijk als legale export


LA PAZ/SANTA CRUZ - Onder druk van het Westen biedt Bolivië zijn boeren een vergoeding als die hun cocaplantages vernietigen. De uitroeiing loopt echter niet zo'n vaart, want coca is zo Boliviaans als de Indianen en de bergen. En coca heeft nog altijd de geur van geld.

Elf kilometer buiten Santa Cruz de la Sierra lijkt het Centro de Rehabilitación de Mujeres op een strafkamp in de woestijn. Prikkeldraad, wachttorens, zoeklichten, een roestige poort. En Señora Felipa, de geüniformeerde cipierster van de Policia Nacional, die vierkant de toegang blokkeert.

Achteraf gezien was het verschalken van de bewaaksters niet eens zo moeilijk. In de middaghitte duurde het meer dan een half uur voor Señora Felipa de aanwezigheid van een verslaggever binnen de muren had opgemerkt, en zij hem voorleidde bij de direktrice van de gevangenis.

Een strafkamp van buiten, binnen de omheining heerst een bijna huiselijke sfeer - met al deze vrouwen bij elkaar. Enkele tientallen lage bungalows zijn opgetrokken rond een binnenplein. Op de patio’s voor de cellen zitten de vrouwen te breien, de was te doen, een potje te koken. Op een soort teaterpodium spelen de kinderen. Er is een winkeltje met tandpasta en shampoo, er wordt rondgegaan met roomijs en in een van de bungalows wordt een handeltje gedreven in zilverwerk.

Die huiselijke sfeer bedriegt. Binnen in de bungalows is het verstikkend warm en delen verscheidene vrouwen eenzelfde bed onder het muskietennet. Van hoek tot hoek is in sommige cellen de volledige oppervlakte ingenomen door drie bedden. In een enkel dormitorio slapen tot zeven vrouwen.

Drievierde van de honderdzestig gevangenen zijn drugskoeriersters, arme sukkelaars die blindelings in de val liepen op de luchthaven toen ze Bolivië wilden verlaten. In een land waar het gemiddelde loon rond de tweeduizend frank per maand ligt, valt het de grote narco-trafikanten niet moeilijk om eenvoudige plattelandsmensen te verleiden: duizend dollar voor een enkele reis is meer dan wat Bolivianen kunnen verdienen met een jaar hard werken. Met zo'n drugsreis dachten de vrouwen die hier bijeenzitten te ontsnappen uit hun uitzichtloze armoede. Ze waren straatarm toen ze hier binnenkwamen. Als ze ooit buitenraken zijn ze nog armer dan de straat.

Flora zegt dat ze al vijf jaar en acht maanden opgesloten zit zonder proces. "Afgelopen januari zou een rechtbank in Sucre zich over mijn zaak buigen, maar ik ben nog altijd niet gedagvaard. Wie zoals ik geen geld heeft om een advokaat te betalen, krijgt iemand toegewezen door de regering. Maar mijn advokaat zegt dat hij geen tijd heeft. Bij anderen gaat zogezegd het dossier verloren. Sommige vrouwen zitten al zes of zeven jaar in voorhechtenis. Als ik hier ooit uitraak, sta ik op straat. De weinige meubelen die ik had zijn aangeslagen."

"Zie het drama van deze vrouwen", zegt de gevangenisdirektrice later op patetische toon. Haar opinie steekt ze niet onder stoelen of banken. "De meeste vrouwen zijn drugskoeriersters, maar wat wil je? In Bolivië kost een gram cocaïne minder dan tien dollar, in Europa of de VS is dat meer dan tien keer zo veel. De regering is deze mensen vergeten. Als direktrice heb ik bijna geen personeel. Er is onvoldoende eten en het is van slechte kwaliteit. Ik heb een budget voor vijftig gevangenen, het voedsel gaat uitsluitend naar de kinderen. De vrouwen die hier worden opgesloten zijn bijna allen in de steek gelaten door hun man, ze zijn wel genoodzaakt hun kinderen mee te nemen in de gevangenis. We hebben een school, maar geen geld en geen leraren. Deprimerend, mensonwaardig."

Het leven van Flora en andere drugskoeriersters eindigt in de vrouwengevangenis van Santa Cruz, in het Wilde Oosten van Bolivië.

Het verhaal van de coca begint bij al even grote sukkelaars, die een vaak onooglijk lapje grond bebouwen in het gebied van Chapare bij Cochabamba, of in de tropische vallei van de Yungas - samen met het Huallaga-dal in Peru de grootste cocaproducenten ter wereld.

De tocht in de Yungas is spectaculair. Vanuit de officieuze hoofdstad La Paz klimt men tot een hoogte van 5.400 meter, de hoogste berijdbare bergpas van de wereld, waar de chauffeur drie kruisen slaat voor hij de Yungas induikt. Vanaf deze plek, waar lama's en condors de besneeuwde pas domineren, daalt men in drie uur tot een hoogte van 606 meter in de tropische vallei van Caranavi.

Het is een eenbaansweg, niet meer dan een vervaarlijke richel op letterlijk loodrechte wanden. De overgang van een kaal maanlandschap naar de weelderige begroeiing van de tropen vindt bruusk plaats. Op diverse plaatsen is het baanvak weggespoeld door watervallen en bergstromen. Toeterend suizen minibusjes en vrachtwagens naar beneden. De natuur is overweldigend, met overhangende bomen op de wand boven het hoofd en machtige, scherp ingesneden dalen die elkaar opvolgen na elke nieuwe bocht van de weg. Zo smal is dit pad dat de auto's elkaar links moeten kruisen, met de chauffeur aan de dalkant, op nauwelijks enkele centimeters van het ravijn.

Vanaf Arapata en Coripata, 132 kilometer van La Paz en op een hoogte van 1.760 meter, loopt de weg volop tussen de cocales. De cocavelden liggen op de steilste berghellingen. In de dorpen waar we doorrijden worden volop zakjes cocabladeren aangeboden, van 8 tot 32 frank voor een pond.

Zoals in alle ontwikkelingslanden bestaat hier geen eengemaakte markt. Binnen hetzelfde land verschillen de prijzen volgens de streek. Op de markt van Villa Fatima in La Paz kost een zakje coca 40 frank; in Los Pozos in Santa Cruz betaalt men 56 frank voor een pond coca en 24 frank voor 250 gram bijbehorend bicarbonaat met Ilujta; in het Arenal-park worden de levensgevaarlijke bazooka's, een soort cracksigaretten, verkocht tegen nauwelijks 10 frank per stuk. Zelfs hier in het produktiegebied van de Yungas verschillen de producentenprijzen voor coca van de ene vallei tot de andere.

Op een van de coca-akkers is Ponciano Cagales (45) aan het werk, met zijn vrouw en vier kinderen. Alles samen bezit hij slechts 1.250 vierkante meter, nauwelijks een tiende van een hektare. In de Yungas zijn naar schatting 12.000 hektare met coca aangeplant, maar zoals hier blijkt, gebeurt de exploitatie kleinschalig. "Het is hard werk", zegt Cagales: "struiken uitroeien, de helling bouwrijp maken, de grond bewerken, planten en verplanten."

De cocaplantjes zijn struiken die enigszins lijken op een rozelaar of een bosbessestruik, met eironde bladeren. Hier op deze plaats groeien ze tot een halve meter hoog. Ze zijn aangeplant in bedjes en groeien bovenop het talud. Deze boer gebruikt geen meststoffen en irrigeert ook niet. Cagales laat de blaadjes drogen op een lap grond voor zijn lemen huisje.

Op zijn 1.250 vierkante meter heeft Ponciano Cagales een opbrengst van 240 pond, in drie oogsten. Bij een gemiddelde prijs van 5 bolivianos geeft dat hem een gezinsinkomen van nog geen 10.000 frank per jaar, te vermeerderen met de opbrengst van de verkoop van een beetje mandarijntjes en een beetje geitekaas.

Waarom doet hij niet mee aan het uitroeiingsprogramma van de regering, die 70.000 frank betaalt per hektare? "Weet je, caballero", antwoordt hij. "Dit stukje grond is mijn kapitaal, mijn hele bezit. Als ik mijn grond verkoop, ontvang ik evenveel als ik in een jaar verdien. Waarvan moet ik nadien leven?"

Goede alternatieven ziet hij niet. "Yuca no tiene. Het lukt niet. Ik heb alles geprobeerd: yuca's, tomaten, pepers, bananen. Daarenboven: coca brengt tot vier oogsten op per jaar; yuca, koffie of bananen heb ik maar een keer per jaar. Een cocaplantje gaat zestien jaar mee, een bananenboom maar een jaar." En coca brengt oneindig veel meer op. Bij een prijs van 50 tot 80 frank voor een kilo coca, ontvangt een boer in Coroico – “het paradijs van de Yungas” - minder dan 8 frank voor twaalf bananen, 12 frank voor honderd sinaasappelen, 1,3 frank voor een kilo yuca's, 10 frank voor een kilo koffie en 40 tot 80 frank voor een kilo vlees.

Coca verbouwen en verkopen is niet illegaal in Bolivië. Eeuwenlang kauwen Indianen en mijnwerkers al op de cocablaadjes, om de honger te bestrijden, om de vermoeidheid te verdrijven, tegen hoofdpijn, als vermeende bescherming tegen het mijnstof of zelfs, zoals een van hen zegt, om vervloeking door anderen te voorkomen.

Met zijn zogenaamde cocadiplomatie, bedoeld om de ook door Bolivië ondertekende Konventie van Wenen te amenderen, lijkt de Boliviaanse regering wel een strijd te hebben aangebonden tegen de hele wereld. Volgens La Paz verhoudt coca zich tot cocaine zoals druiven tot wijn.

Maté de coca is in het Andesland heel gewoon, onder andere tegen de soroche of hoogteziekte, een aandoening waaronder velen lijden op de meer dan vierduizend meter hoge Altiplano. De coca-teebuiltjes zijn er zo gewoon geworden dat de Boliviaanse delegatie opschrikte toen ze verleden jaar problemen kreeg op de Expo in Sevilla, nadat ze geprobeerd had acht kilo cocabladeren en enkele zakjes cocatee in Spanje binnen te brengen als “kultuurgoed” van Bolivië.

Hoewel ook coca, als basisprodukt van cocaïne, is gebannen door de Konventie van Wenen, worden tijdens een spannende voetbalmatch cocablaadjes gekauwd zoals bij ons chips, worden cocablaadjes op een wonde gelegd voor de heling, is er cocawijn te koop, coca-tandpasta, coca-hoestsiroop, coca-pommade tegen reuma, enzovoort.

Maar voor dit “gewone” en traditiegebonden gebruik van coca zou volgens experts de produktie van 12.000 hektare volstaan. Hoewel er volgens de regering in de jongste zes jaar al 25.000 hektare is uitgeroeid, blijven naar schatting nog 35.000 ha verbouwd, 5.000 meer dan in 1980. Het uitroeiingsprogramma verzwakt: in de eerste vijf maanden van 1992 werden premies voor 1.600 hektare uitgekeerd, in dezelfde periode van dit jaar was dat maar voor 1.226 hektare.

De vele “onschuldige” toepassingen van het traditionele cocaverbruik en de kleinschaligheid van de naar schatting 120.000 plantages, verbergen een andere realiteit. In het afgelopen decennium is Bolivië van cocaproducent geëvolueerd tot een land dat berucht werd om de verwerking tot cocaïne, een reputatie waarmee het de gediskrediteerde Colombiaanse kartels naar de kroon steekt. Het zijn niet alleen de arme drommels in de vrouwengevangenis van Santa Cruz die daarvan getuigen.

Tegenover een cocaïne-omzet die in de VS alleen al wordt geschat op 50 miljard dollar per jaar, blijven de export-ontvangsten voor Bolivië uit de illegale oocaïnehandel weliswaar bescheiden, met ramingen tussen 700 miljoen tot 1,8 miljard dollar per jaar. Maar uit Boliviaans oogpunt liggen die bedragen even hoog tot twee keer zo hoog als de totale uitvoer van het land.

Volgens sommige ramingen komt een derde van die narco-dollars terug in de Boliviaanse ekonomie, wat niet wordt tegengesproken door de schreeuwerige luxe in de boom-steden Santa Cruz en Cochabamba. Niet alleen de drakonische voorwaarden van de bankiers, maar vooral de cocaïne-opbrengst zou Bolivië als “beste leerling van het IMF” weer op het ortodox-ekonomische spoor hebben gezet na de periode van hyperinflatie die enkele jaren geleden nog 24.000 procent per jaar bedroeg.

Met 7,7 miljoen inwoners geldt Bolivië, 33 keer groter dan België, als het op één na armste land van het westelijke halfrond. Volgens het ekonomische onderzoeksinstituut Müller & Asociados werkt mogelijk een tiende van de Boliviaanse beroepsbevolking rechtstreeks of onrechtstreeks in coca- en cocaïneproduktie of -handel.

Liever dan hun cocaproduktie naar de markt te brengen, werken sommige boeren onder kontraktteelt. Niet alleen in de labs in het regenwoud, maar ook bij boeren thuis verdienen naar schatting 20.000 pisadores hun brood met het mengen van de cocabladeren met zwavelzuur, en het kneden van de brij tot pasta básica. Daarnaast transporteren nog eens 45.000 zepes (“mieren”) de zakken met coca naar de geheime verwerkingsateliers in het oerwoud.

Voor de dertig grote families die in Bolivië de cocaïne-handel beheersen is het een koud kunstje om plaatselijke autoriteiten tegen betaling van enkele duizenden dollars de ogen te doen sluiten voor die transporten. Tien jaar geleden was Bolivië enkel cocaleverancier aan Colombia, vandaag wordt twintig procent van alle cocaïne ter wereld geraffineerd in Bolivië en Peru.

Honderdvijftig grondig gehate experts van de Amerikaanse Drugs Enforcement Administration (DEA), een kompagnie speciale VS-troepen of de door de VS opgeleide Umopar-(“luipaard”-)eenheden van de Boliviaanse overheid kunnen ondanks beperkte suksessen dat tij niet keren.

Op de internationaJe luchthaven van Santa Cruz staan Amerikaanse Awacs-toestellen die de avionetas van de drugssmokkelaars volgen. Maar de vliegtuigjes zelf stijgen op van het tweede, kleinere vliegveld in de drugshoofdstad, en dat is in handen van de Boliviaanse strijdkrachten...

Alleen de simpele zielen in de vrouwengevangenis van Santa Cruz moeten niet hopen ooit te ontsnappen. Acht jaar gevangenis is het gewone tarief voor pogingen om één kilo cocaïne uit het land te smokkelen, zegt de gevangenisdirektrice.

De grote vissen vinden de mazen. Acht maanden nadat hij aangehouden werd na een klopjacht door politie en Amerikaanse DEA-agenten, kon Carmelo 'Meco' Dominguez, een van de drie belangrijkste drugshandelaars in Bolivië, al ontsnappen uit de San Pedro-gevangenis van La Paz. Hij kreeg de toestemming van de gevangenisdirekteur voor een bezoek aan de hartspecialist, en als voorzorg werd hem één bewaker meegegeven. Natuurlijk werd die cipier overvallen en kon Meco ontsnappen.

Naar Bolivië gevluchte oorlogsmisdadigers en neo-nazi’s hebben altijd intrigerende kontakten onderhouden met enkele van die grote vissen. Een zeldzame keer kwam dat aan het licht met de aanhouding van Manfred Kuhlmann en Joachim Fiebelkorn, twee neo-nazi's die nauw kontakt onderhielden met de aan Frankrijk uitgeleverde Klaus Barbie en die elkaar opzochten in café Bavaria in Santa Cruz. De Gestapo-kommandant die jarenlang onder de schuilnaam Klaus Altmann leefde in Cochabamba, heeft ook vandaag nog naamgenoten in Bolivië. De telefoonboeken van Santa Cruz en La Paz staan overigens vol met typisch Boliviaanse namen als Kreidler, Kruetzfeldt, Von Landwust of Wachenfeld. In de kranten staat ook een overlijdensbericht van ene dr. Ernst Eugene Reynaert Van Rossum.

Dat Bolivië leeft van zijn cocaproduktie merkt men ten overvloede in de Yungas, en niet alleen bij kleine boeren als Ponciano Cagales.

Het is fiesta als we aankomen in Chulumani, op 160 kilometer en vijf uur rijden van La Paz. Rond het obligate standbeeld van Pedro Domingo Murillo, de held van de onafhankelijkheidsoorlog die in 1810 door de Spanjaarden werd opgeknoopt, speelt een blaaskapel en 's avonds is er vuurwerk.

De met Wiphala-vlaggen van de Aymara-Indianen behangen cafés doen gouden zaken. Rijkelijk vloeit er het bier, onder het kauwen van cocabladeren, en niemand die het plengoffer vergeet voor Moeder Aarde, Pacha Mama.

De plaatselijke afdeling van de Movimiento Nacionalista y Revolucionario houdt het feest strak in handen, met patriottische liederen, de groet aan de vlag en een minuut stilte "voor de gesneuvelden van de revolutie" - alleen de buitenstaander durft te vragen om welke opstand het gaat in een land dat meer dan tweehonderd revoluties en staatsgrepen meemaakte in de afgelopen 150 jaar.

We hebben onze intrek genomen in hotel Garcia, een aanrader. Op basis van een tweepersoonskamer slaapt men er voor omgerekend 40 frank per nacht, en een hangslot op de deur verzekert de privacy. Als er water is kan men zelfs een koude douche nemen. De hele nacht blijft een orkest spelen in hoteldiskoteek The Number One, en bij het opstaan serveert eigenaar Juan Angel het ontbijt onder een wandtapijt met Het Laatste Avondmaal.

's Ochtends wordt de mis gelezen in de San Bartolomeus-kerk van de Augustijnen - merkwaardig hoe de gekruisigde Kristus hier alle raskenmerken vertoont van de Indianen. En dan begint de vroegmarkt. Bij het buitenkomen uit de kerk hangt al overal de zware, wat zoete geur van de coca over de Plaza Libertad.

Van uren ver in de Yungas-vallei komen de cocaboeren aangestroomd, te voet, op bromfietsen, in busjes of achterin een vrachtwagen. Opkopers en keurders staan op de hoeken van het marktplein. De boeren brengen de coca in kleine zakken, nu eens 15 pond, dan 20 of 25 pond, het handwerk van het hele gezin. De blaadjes worden gekeurd - "Geen betere coca dan die van de Yungas", zo is de algemene mening. "De coca van de Chapare heeft grotere bladeren; de mijnwerkers van hier willen alleen die van de Yungas."

Merkwaardig op deze markt zijn het grote aantal zwarten, negroïde maar Spaanssprekende types die door de Spanjaarden werden “geïmporteerd” voor het werk in de zilvermijnen van Potosí. Ze zijn nog met zeventienduizend, hun laatste koning Bonifacio Pinedo III overleed nauwelijks dertig jaar geleden. Tot de revolutie van 1952 leefden deze zwarten nog in virtuele slavernij.

Terwijl verweerde indianenvrouwen posities innemen rond de stalletjes op de gewone markt, is de cocamarkt binnen het uur al afgelopen. Met de boeren onderhandelen de opkopers over prijs, kwaliteit en hoeveelheid. De vrouwen van de trafikanten wegen de kleinere zakken op hangweegschalen, en betalen de boeren in kontanten. Vandaag ligt de prijs rond de 640 frank voor 30 pond, 42 frank per kg. De prijs is erg onderhevig aan seizoenschommelingen.

De afgewogen zakjes coca van de campesino’s worden overgeladen in sesto's, enorme linnen zakken van vijftien kilo. De kinderen van de opkopers brengen de sesto’s weg naar een vrachtwagen om de hoek, soms met twee zakken tegelijk. Het zijn jongens en meisjes van tien of elf jaar oud die af en toe door de knieën gaan onder de volumineuze zakken.

Boordevol sesto's verlaten de vrachtwagens van de opkopers, de ene na de andere, het marktplein van Chulumani. Er zijn slechts twee toegangswegen tot de cocavalleien van de Yungas. Zo moeilijk kan het toch niet zijn om de bestemming van cocatransporten te achterhalen?

Mon Vanderostyne
La Paz/Santa Cruz
22 oktober 1993